Hoe leren leerlingen omgaan met verschillen? Wat betekenen vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit in de praktijk? Hoe werkt een democratische rechtsstaat? En hoe leren leerlingen dat ze zelf invloed kunnen uitoefenen op hun omgeving en de samenleving?
Dat staat centraal in de nieuwe kerndoelen burgerschap. Ze beschrijven welke kennis, vaardigheden en ervaringen leerlingen gedurende het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs moeten opdoen.
Burgerschapsonderwijs zelf is niet nieuw. Scholen hebben al een wettelijke burgerschapsopdracht. Nieuw is dat er voor het eerst afzonderlijke, concrete kerndoelen burgerschap zijn ontwikkeld. Daardoor wordt duidelijker welke onderwijsinhoud iedere leerling aangeboden moet krijgen.
De kerndoelen zijn ontwikkeld voor zowel het primair onderwijs als de onderbouw van het voortgezet onderwijs en vormen samen een doorgaande lijn. De nieuwe doelen worden per 1 augustus 2027 opgenomen in de wet. Scholen kunnen er nu al mee werken.
De officiële kerndoelen vind je bij SLO. Op deze pagina leggen we uit wat ze betekenen voor de onderwijspraktijk.
Voor PO en onderbouw VO zijn dezelfde drie inhoudelijke domeinen uitgewerkt. De nummering verschilt tussen beide sectoren.
Democratische oefenplaats
De school geeft leerlingen ruimte om sociale en maatschappelijke competenties te ontwikkelen. Leerlingen oefenen bijvoorbeeld met luisteren naar anderen, hun eigen mening uiten, omgaan met verschillen, samenwerken, conflicten hanteren en verantwoordelijkheid nemen.
Democratische rechtsstaat
Leerlingen leren over de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en over diversiteit in de samenleving. Vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit vormen daarbij belangrijke uitgangspunten.
Democratische en maatschappelijke betrokkenheid
Leerlingen doen ervaring op met manieren waarop mensen invloed kunnen uitoefenen, besluiten kunnen nemen en kunnen bijdragen aan hun omgeving en samenleving.
Daarmee gaat burgerschap verder dan kennis over democratie. Leerlingen leren over democratie, maar moeten democratisch en maatschappelijk handelen ook kunnen ervaren en oefenen.
De drie domeinen lopen van het primair onderwijs door naar de onderbouw van het VO. Dat betekent niet dat leerlingen in het VO hetzelfde programma opnieuw doorlopen. De complexiteit neemt toe.
In het primair onderwijs ligt de nadruk sterker op verkennen, beschrijven en ervaren. Leerlingen maken bijvoorbeeld kennis met basiswaarden, onderzoeken verschillen tussen mensen en oefenen met inspraak en samenwerking.
In de onderbouw van het VO verschuift de nadruk naar meer inzicht, herkennen en reflecteren. Leerlingen kijken kritischer naar maatschappelijke situaties, leren verschillende perspectieven onderzoeken en denken nadrukkelijker na over hun eigen positie en handelingsmogelijkheden.
Een leerling kan in het PO bijvoorbeeld ervaren hoe gezamenlijk een besluit wordt genomen. In het VO kan daarop worden voortgebouwd door te onderzoeken hoe belangen, waarden, macht en besluitvorming in maatschappelijke situaties een rol spelen.
De doorgaande lijn loopt bovendien verder dan de onderbouw. In de bovenbouw van het VO worden onderdelen verder verdiept, onder andere binnen maatschappijleer en andere examenprogramma's.
De komst van de nieuwe kerndoelen betekent niet dat burgerschap vanaf 2027 ineens verplicht wordt. Burgerschapsonderwijs is nu al een wettelijke verplichting.
Scholen hebben een wettelijke burgerschapsopdracht. Die gaat over drie onderdelen:
De nieuwe kerndoelen concretiseren vooral welke onderwijsinhoud leerlingen minimaal moeten tegenkomen. Ze vervangen de bredere wettelijke burgerschapsopdracht niet.
Dat onderscheid is belangrijk. Een school kan straks dus niet simpelweg de drie kerndoelen afvinken en daarmee concluderen dat volledig aan de burgerschapsopdracht is voldaan.
Ook de schoolcultuur en de samenhang en herkenbaarheid van het burgerschapsonderwijs blijven onderdeel van de wettelijke opdracht.
Bijzonder aan burgerschap is dat niet alleen wordt beschreven wat leerlingen moeten leren. Ook de school zelf krijgt een opdracht: zij moet vormgeven aan een democratische oefenplaats.
Dat betekent dat leerlingen binnen de school daadwerkelijk ervaring moeten kunnen opdoen met sociale en maatschappelijke competenties.
Denk bijvoorbeeld aan:
Dat kan plaatsvinden in een klasgesprek, leerlingenraad of project, maar net zo goed in de dagelijkse omgang binnen de school.
De manier waarop volwassenen luisteren, besluiten nemen, omgaan met verschil en reageren op conflicten maakt daardoor óók deel uit van de omgeving waarin leerlingen burgerschap leren.
Leerlingen leren over de basiswaarden van de democratische rechtsstaat: vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit.
Daarbij gaat het niet alleen om het kunnen benoemen van deze begrippen. Leerlingen leren steeds beter begrijpen wat ze betekenen in concrete situaties en dat waarden soms met elkaar kunnen botsen.
Hoe verhoudt vrijheid van meningsuiting zich bijvoorbeeld tot discriminatie? Wat betekent gelijkwaardigheid wanneer mensen verschillende mogelijkheden of achtergronden hebben? En welke verantwoordelijkheid hebben mensen voor elkaar?
Ook diversiteit heeft daarom een duidelijke plaats. Leerlingen leren dat mensen verschillen in bijvoorbeeld achtergrond, cultuur, levensovertuiging, taal, mogelijkheden, opvattingen en leefwijze.
In het VO kan de complexiteit daarvan verder worden vergroot. Leerlingen kunnen bijvoorbeeld onderzoeken hoe stereotypering, discriminatie, uitsluiting en maatschappelijke positie samenhangen en welke perspectieven verschillende groepen op een situatie kunnen hebben.
Het derde domein gaat over democratische én maatschappelijke betrokkenheid.
Bij democratische betrokkenheid leren leerlingen hoe mensen invloed kunnen uitoefenen op besluiten. Dat kan heel dichtbij beginnen: meepraten over afspraken in de klas of school. Later kunnen ook formele democratische processen en maatschappelijke besluitvorming worden onderzocht.
Maatschappelijke betrokkenheid gaat breder over bijdragen aan de samenleving. Leerlingen maken kennis met manieren waarop mensen, groepen en organisaties zich inzetten voor hun omgeving of voor maatschappelijke vraagstukken.
De ontwikkeling van PO naar VO zit ook hier in de complexiteit. Jongere leerlingen doen vooral concrete ervaringen op in hun directe omgeving. Oudere leerlingen kunnen steeds zelfstandiger maatschappelijke vraagstukken onderzoeken, verschillende handelingsmogelijkheden afwegen en reflecteren op hun eigen rol.
Zo verschuift burgerschap geleidelijk van meedoen en ervaren naar ook begrijpen, afwegen en bewust handelen.
Burgerschap staat niet los van de rest van het curriculum. Juist bij dit leergebied zijn inhoudelijke verbindingen met andere kerndoelen belangrijk.
Met mens en maatschappij
De verbinding met mens en maatschappij is groot. Daar leren leerlingen samenlevingen, maatschappelijke ontwikkelingen en vraagstukken vanuit historische, geografische, economische en sociale perspectieven begrijpen.
Bij burgerschap ligt het accent sterker op democratische waarden, betrokkenheid en de manier waarop leerlingen zelf kunnen handelen.
Kort gezegd: mens en maatschappij helpt leerlingen de samenleving begrijpen; burgerschap helpt hen om er bewust in te handelen.
Met mens en natuur
Maatschappelijke keuzes gaan regelmatig over onderwerpen waarvoor natuurwetenschappelijke kennis nodig is. Denk aan klimaat, energie, gezondheid, biodiversiteit of technologische ontwikkelingen.
Binnen mens en natuur bouwen leerlingen de kennis op om zulke vraagstukken te begrijpen. Burgerschap kan vervolgens ruimte bieden om verschillende belangen, waarden en handelingsmogelijkheden te onderzoeken.
Met Nederlands
Een mening formuleren, luisteren naar argumenten, bronnen lezen, verschillende perspectieven vergelijken en een standpunt onderbouwen vragen taalvaardigheid. Daarmee is er een duidelijke verbinding met de nieuwe kerndoelen Nederlands.
Met digitale geletterdheid
Een steeds groter deel van het maatschappelijke en democratische leven speelt zich online af. Leerlingen krijgen te maken met sociale media, algoritmes, online informatie, privacy en digitale beïnvloeding.
Dat maakt de verbinding met digitale geletterdheid belangrijk. Digitale kennis helpt leerlingen begrijpen hoe de online wereld werkt; burgerschap helpt hen nadenken over hun positie en handelen daarin.
Met rekenen en wiskunde
Maatschappelijke discussies bevatten vaak cijfers, percentages, grafieken en statistieken. Om informatie over bijvoorbeeld verkiezingen, ongelijkheid, klimaat of gezondheid kritisch te kunnen beoordelen, hebben leerlingen ook reken- en wiskundevaardigheden nodig.
Burgerschap hoeft geen afzonderlijk schoolvak te zijn. Scholen houden ruimte om zelf te bepalen hoe zij de kerndoelen in hun curriculum organiseren.
Dat biedt mogelijkheden om burgerschap te verbinden met bijvoorbeeld Nederlands, mens en maatschappij, digitale geletterdheid en projecten rond maatschappelijke vraagstukken.
Maar daar zit ook een risico in: als burgerschap overal zit, kan het uiteindelijk nergens echt van zijn.
Daarom moet duidelijk zijn:
Dat geldt in het PO, maar zeker ook in het VO, waar verschillende vaksecties en mentoren gezamenlijk aan burgerschap kunnen bijdragen.
Een goede voorbereiding begint niet met het verzamelen van zoveel mogelijk nieuwe burgerschapsactiviteiten. Begin met het bestaande onderwijs.
Voor het primair onderwijs zijn bijvoorbeeld deze vragen relevant:
Voor het voortgezet onderwijs verschuiven de vragen:
Voor beide sectoren geldt: kijk verder dan activiteiten.
Een leerlingenraad, gastles, maatschappelijke stage, themaweek of debat kan heel waardevol zijn. Maar de activiteit op zichzelf vormt nog geen doorgaande leerlijn.
Vraag daarom steeds: wat leren of ervaren leerlingen hier precies, bij welk kerndoel hoort dat en hoe bouwen we hier later op voort?
1. Begin bij de wettelijke opdracht
Breng in kaart hoe onderwijsinhoud, schoolcultuur en de doelgerichte, samenhangende en herkenbare aanpak nu zijn georganiseerd.
2. Leg de drie kerndoelen ernaast
Bekijk welke kennis, vaardigheden en ervaringen al terugkomen en waar nog hiaten zitten.
3. Maak de doorgaande lijn zichtbaar
Bepaal hoe leerlingen zich ontwikkelen van verkennen en ervaren naar begrijpen, reflecteren en steeds bewuster handelen.
4. Kijk naar de oefenplaats
Onderzoek niet alleen lessen, maar ook de dagelijkse schoolpraktijk. Waar krijgen leerlingen werkelijk inspraak en verantwoordelijkheid? Hoe gaan we om met verschil en conflict?
5. Verdeel verantwoordelijkheden
Maak duidelijk wie welke onderdelen verzorgt en wie het totaal bewaakt. Dit is vooral belangrijk wanneer burgerschap over verschillende vakken, groepen of teams is verdeeld.
6. Zoek inhoudelijke verbindingen
Verbind burgerschap bewust met bijvoorbeeld mens en maatschappij, mens en natuur, Nederlands en digitale geletterdheid wanneer dat de inhoud versterkt.
7. Kijk over de sectorgrens
PO-scholen kunnen bekijken waarop het VO voortbouwt. VO-scholen kunnen onderzoeken welke basis leerlingen vanuit het PO al kunnen hebben ontwikkeld.
Meer over de sectorspecifieke gevolgen lees je bij de nieuwe kerndoelen primair onderwijs en de nieuwe kerndoelen voortgezet onderwijs.
Gelden de nieuwe kerndoelen burgerschap voor PO én VO?
Ja. Er zijn kerndoelen voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De drie inhoudelijke domeinen zijn hetzelfde, maar de uitwerking en het verwachte niveau bouwen op elkaar voort.
Hoeveel kerndoelen burgerschap zijn er?
Er zijn in beide sectoren drie inhoudelijk samenhangende kerndoelen. In het PO zijn dit kerndoelen 19, 20 en 21; in de onderbouw van het VO zijn dit 18, 19 en 20.
Is burgerschap nu al verplicht?
Ja. Scholen hebben nu al een wettelijke burgerschapsopdracht. De nieuwe kerndoelen maken concreter welke onderwijsinhoud leerlingen minimaal moeten tegenkomen.
Wanneer gaan de nieuwe kerndoelen burgerschap gelden?
De nieuwe kerndoelen worden per 1 augustus 2027 opgenomen in de wet. Scholen kunnen ze nu al gebruiken bij de ontwikkeling van hun burgerschapsonderwijs.
Vervangen de kerndoelen de wettelijke burgerschapsopdracht?
Nee. De kerndoelen en de wettelijke burgerschapsopdracht vullen elkaar aan. De kerndoelen concretiseren vooral de onderwijsinhoud; ook de schoolcultuur en een doelgerichte, samenhangende en herkenbare aanpak blijven onderdeel van de wettelijke opdracht.
Moet burgerschap een apart vak worden?
Nee. Scholen bepalen zelf hoe zij het burgerschapsonderwijs organiseren. Wel moet duidelijk zijn waar en hoe de doelen samenhangend worden opgebouwd.
Is een leerlingenraad voldoende voor de democratische oefenplaats?
Nee. Een leerlingenraad kan een waardevol onderdeel zijn, maar de democratische oefenplaats gaat breder over de mogelijkheden die leerlingen binnen de school krijgen om sociale en maatschappelijke competenties te ontwikkelen.
Moeten we ons burgerschapsplan helemaal herschrijven?
Niet automatisch. Leg eerst het bestaande beleid, curriculum en de schoolpraktijk naast de wettelijke opdracht en de nieuwe kerndoelen. Dan wordt zichtbaar welke onderdelen al goed aansluiten en waar aanpassing nodig is.
Voor de officiële formuleringen en volledige uitwerkingen kun je de kerndoelen bij SLO raadplegen.