Hoe werkt de natuurlijke wereld? Hoe onderzoeken we verschijnselen die we om ons heen zien? Hoe functioneren organismen en het menselijk lichaam? Wat gebeurt er met het klimaat? En hoe gebruiken mensen natuurwetenschappelijke kennis om technologie te ontwikkelen?
Dit soort vragen staan centraal in het leergebied mens en natuur. Het leergebied brengt natuurwetenschappen, technologie, gezondheid en de natuurlijke leefomgeving bij elkaar. Leerlingen bouwen kennis op over de wereld én leren die kennis gebruiken om verschijnselen te onderzoeken, verklaren en beïnvloeden.
De nieuwe kerndoelen zijn ontwikkeld voor zowel het primair onderwijs als de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Daarbij is bewust een doorgaande lijn aangebracht. In het PO wordt een brede basis gelegd; in het VO worden begrippen, denk- en werkwijzen verder verdiept en komen natuurkundige, scheikundige en biologische verschijnselen nadrukkelijker uit elkaar te liggen.
De doelen zijn definitief ontwikkeld, maar nog niet wettelijk van kracht. De verwachting is dat ze per 1 augustus 2027 in de wet worden opgenomen.
De officiële kerndoelen vind je bij SLO. Op deze pagina leggen we uit wat ze betekenen voor de onderwijspraktijk.
De kerndoelen mens en natuur zijn niet simpelweg dezelfde doelen op twee verschillende niveaus. SLO heeft een doorlopende inhoudelijke lijn ontwikkeld waarbij de doelen voor PO en VO op elkaar voortbouwen.
In het primair onderwijs zijn er vier kerndoelen:
In de onderbouw van het voortgezet onderwijs zijn er vijf:
Het belangrijkste structurele verschil is dus dat natuurkundige en scheikundige verschijnselen in het PO nog binnen één kerndoel worden aangeboden. In het VO krijgt scheikunde een afzonderlijk kerndoel en wordt de inhoud verder verdiept.
Voor havo en vwo bevatten de VO-kerndoelen bovendien aanvullende inhouden. Daarmee wordt binnen dezelfde set rekening gehouden met wat van leerlingen op verschillende onderwijsniveaus kan worden verwacht.
Kerndoel 29 vormt in zowel PO als VO een soort inhoudelijke basis onder het hele leergebied. Het gaat niet primair over één onderwerp, maar over de manier waarop leerlingen de wereld vanuit natuurwetenschap en technologie leren bekijken.
Ze leren bijvoorbeeld redeneren met:
Daarnaast leren leerlingen natuurwetenschappelijke en technologische werkwijzen gebruiken. Denk aan waarnemen, meten, experimenteren, onderzoeken, ontwerpen en het onderbouwen van conclusies.
Die ontwikkeling loopt door van PO naar VO. In het PO ligt de nadruk meer op het verkennen en onderzoeken van verschijnselen in de leefomgeving. In het VO worden vraagstukken complexer en leren leerlingen systematischer werken met onder andere metingen, variabelen, modellen en vaktaal.
Voor havo en vwo wordt het werken met modellen verder verdiept. Leerlingen leren bijvoorbeeld voorspellingen doen met modellen, relaties tussen variabelen onderzoeken en kritisch kijken naar de verhouding tussen een model en de werkelijkheid.
Onderzoeken en ontwerpen hebben daarmee een duidelijke plaats in de nieuwe kerndoelen. Leerlingen moeten natuurwetenschap niet alleen uit een boek leren kennen, maar ook ervaren hoe kennis tot stand komt.
Een leerling kan bijvoorbeeld een verschijnsel waarnemen, een vraag formuleren, metingen uitvoeren, gegevens interpreteren en op basis daarvan een conclusie trekken. Bij technologie kan de leerling een probleem verkennen, een oplossing ontwerpen, deze maken, testen en verbeteren.
Daarbij is één nuance belangrijk: de kerndoelen schrijven geen didactiek voor.
Scholen zijn dus niet verplicht om al het onderwijs volgens een vaste methode van 'onderzoekend en ontwerpend leren' vorm te geven. De doelen beschrijven welke kennis, denk- en werkwijzen en ervaringen leerlingen moeten opdoen. Hoe een school of leraar dat organiseert, blijft een professionele keuze.
Wel wordt de praktische kant belangrijker zichtbaar. Alleen uitleggen hoe onderzoek werkt, is iets anders dan leerlingen daadwerkelijk leren meten, experimenteren, ontwerpen en conclusies onderbouwen.
Natuurkundige verschijnselen en technologie vormen een duidelijke doorgaande lijn.
In het PO maken leerlingen breed kennis met onderwerpen als constructies, stoffen en materialen, licht, geluid, energie en krachten. Ze onderzoeken eigenschappen, experimenteren met verschijnselen en ontdekken hoe technische systemen functioneren.
In de onderbouw van het VO wordt daarop voortgebouwd. Leerlingen verdiepen zich bijvoorbeeld in krachten en beweging, elektrische schakelingen en energiesystemen. Ze leren verbanden leggen tussen grootheden en gebruiken berekeningen om natuurkundige situaties te beschrijven.
Techniek blijft daarbij onderdeel van het leergebied. Leerlingen onderzoeken technische systemen en doen ervaring op met ontwerpen, maken en repareren. Technologie wordt zo verbonden met de natuurwetenschappelijke principes waarop toepassingen zijn gebaseerd.
Voor havo en vwo komt daar verdere verdieping bij, bijvoorbeeld rond verschillende soorten krachten en optische verschijnselen.
Juist bij scheikunde wordt de doorgaande lijn tussen PO en VO goed zichtbaar.
In het primair onderwijs maken leerlingen binnen kerndoel 30 kennis met stoffen, hun eigenschappen en veranderingen van stoffen. Daarmee wordt een basis gelegd voor het denken over materie en processen.
In het VO krijgt dit een eigen kerndoel. Leerlingen gaan werken met deeltjes, faseovergangen, scheidingsmethoden en chemische reacties. Ook onderzoeken ze hoe grondstoffen via fysische en chemische processen worden omgezet in producten.
Daarbij krijgt circulaire productie expliciet aandacht. Leerlingen onderzoeken bijvoorbeeld hoe materialen en producten opnieuw gebruikt kunnen worden en welke invloed grootschalige productie heeft op de omgeving en samenleving.
Voor havo en vwo wordt de inhoud verder uitgebreid, onder andere met de bouw van atomen, modellen van materie en rekenen aan chemische reacties.
Dat laat goed zien wat met een doorgaande lijn wordt bedoeld: het PO hoeft geen VO-scheikunde naar voren te halen, maar legt wel kennis en denkpatronen waarop het VO verder kan bouwen.
Biologie en gezondheid lopen eveneens door beide sectoren heen.
In het PO bouwen leerlingen kennis op over planten, dieren, micro-organismen en het menselijk lichaam. Ze leren over groei, voortplanting, puberteit, voeding, slaap, beweging, relaties, seksualiteit, ziekte en preventie.
In het VO wordt het biologische organisatieniveau verder verdiept. Leerlingen leren bijvoorbeeld over cellen, weefsels, organen en orgaanstelsels en onderzoeken hoe die samenwerken om organismen in leven te houden.
Ook voortplanting, erfelijkheid, biodiversiteit en evolutie krijgen een plaats. Voor havo en vwo wordt de biologische verdieping verder uitgebreid, onder andere richting celdeling en DNA.
Gezondheid blijft daarbij verbonden met het dagelijks leven van leerlingen. Lichamelijke én mentale gezondheid, leefstijl, relaties en seksualiteit maken deel uit van het leergebied.
De inhoud groeit dus mee met de leerling: van het leren kennen van organismen en het eigen lichaam naar het begrijpen van biologische processen en onderlinge samenhang.
Ook binnen het domein systeem aarde is sprake van een duidelijke opbouw.
In het PO leren leerlingen over de aarde en het zonnestelsel, landschappen, weer en klimaat, water, ecosystemen en biodiversiteit. Ze ontdekken dat natuurlijke processen samenhangen en dat menselijk handelen invloed heeft op die systemen.
In het VO wordt dat systeemdenken verder verdiept. Leerlingen onderzoeken veranderingen in onder andere geosfeer, atmosfeer, hydrosfeer en biosfeer en leren natuurlijke processen op verschillende ruimtelijke en tijdschalen begrijpen.
Daarbij komen bijvoorbeeld plaattektoniek, verwering, erosie, sedimentatie, weer, klimaatverandering en ecosystemen aan bod.
Voor havo en vwo wordt daarnaast verder gewerkt met verklaringsmodellen en scenario's, bijvoorbeeld rond zeespiegelstijging en klimaatverandering.
Dat maakt klimaatonderwijs binnen mens en natuur nadrukkelijk kennisrijk. Leerlingen vormen niet alleen een mening over klimaatverandering, maar leren eerst begrijpen welke natuurlijke processen spelen, hoe deze samenhangen en welke invloed menselijk handelen daarop heeft.
Mens en natuur raakt aan verschillende andere leergebieden. Die verbindingen worden interessanter wanneer leerlingen verder komen in hun schoolloopbaan.
Met mens en maatschappij
Aardrijkskundige inhoud komt in beide leergebieden terug. Binnen mens en natuur ligt de nadruk onder andere op fysische processen: hoe ontstaan landschappen, waardoor verandert het klimaat en hoe functioneren natuurlijke systemen?
Bij mens en maatschappij staat sterker centraal hoe mensen ruimte gebruiken en hoe maatschappelijke vraagstukken vanuit verschillende perspectieven kunnen worden bekeken.
Een onderwerp als klimaatadaptatie, energietransitie of waterbeheer vraagt daardoor al snel om kennis uit beide leergebieden.
Met rekenen en wiskunde
Meten, verhoudingen, grootheden, grafieken, patronen en modellen zijn essentieel binnen natuurwetenschappelijk onderwijs. In het VO wordt die verbinding nog sterker wanneer leerlingen bijvoorbeeld rekenen aan beweging, elektriciteit of chemische processen. Daarmee sluit het leergebied direct aan op rekenen en wiskunde.
Met Nederlands
Leerlingen lezen informatieve en vakinhoudelijke teksten, formuleren onderzoeksvragen, gebruiken vaktaal en onderbouwen conclusies. Ook binnen Nederlands is taal in de andere leergebieden daarom een belangrijk aandachtspunt.
Met digitale geletterdheid
Digitale technologie wordt gebruikt voor metingen, gegevensverwerking, modellen, simulaties en ontwerpen. Tegelijk kunnen technologische ontwikkelingen zelf onderwerp van onderzoek zijn. Daarmee is er een duidelijke verbinding met digitale geletterdheid.
Met burgerschap
Natuurwetenschappelijke en technologische ontwikkelingen leiden regelmatig tot maatschappelijke keuzes. Denk aan energie, klimaat, gezondheid, genetische technologie of grondstoffengebruik. Mens en natuur levert kennis om zulke onderwerpen te begrijpen; binnen burgerschap leren leerlingen zich onder andere tot maatschappelijke vraagstukken te verhouden.
Een van de belangrijkste kenmerken van de nieuwe kerndoelen is dat PO en VO niet als twee losse werelden zijn uitgewerkt.
SLO heeft bewust gekeken naar wat leerlingen aan het einde van het primair onderwijs al kunnen opbouwen en hoe het voortgezet onderwijs daarop kan voortbouwen.
Op sommige onderdelen betekent dit dat leerlingen in het PO al met inhoud kennismaken die voorheen vooral in de eerste jaren van het VO aan bod kwam. Denk bijvoorbeeld aan een systematischer kijk op ecosystemen en meer inhoud rond licht, geluid en eigenschappen en veranderingen van stoffen.
Daardoor ontstaat in het VO ruimte om verder te verdiepen. Daar komen bijvoorbeeld uitgebreidere scheikunde, energiesystemen, cellen en erfelijkheid, complexere natuurkundige verbanden en het werken met modellen aan bod.
Voor scholen levert dat een belangrijke vraag op: sluit ons curriculum daadwerkelijk aan op wat vóór en ná onze eigen onderwijsfase gebeurt?
Voor het PO betekent dit dat niet alleen gekeken moet worden naar wat leerlingen in groep 8 moeten kennen, maar ook naar de kennis en ervaringen die gedurende de basisschool worden opgebouwd.
Voor het VO betekent het dat de onderbouw niet automatisch hoeft te beginnen alsof leerlingen nog niets van natuurwetenschappen en technologie weten. De nieuwe PO-doelen geven een duidelijker beeld van de basis waarop kan worden voortgebouwd.
De nieuwe kerndoelen vragen niet automatisch om nieuwe vakken, nieuwe methodes of een volledig andere organisatie van het onderwijs.
Ze vragen wél om goed te kijken naar de inhoud en opbouw van het huidige curriculum.
Voor het primair onderwijs kunnen daarbij bijvoorbeeld deze vragen helpen:
Voor het voortgezet onderwijs zijn andere vragen relevant:
Voor beide sectoren geldt bovendien dezelfde valkuil: een onderwerp behandelen is nog niet hetzelfde als een leerlijn opbouwen. Een techniekproject, biologieles of thema over klimaat kan waardevol zijn, maar de vraag blijft welke kennis en vaardigheden leerlingen ontwikkelen en hoe daarop later wordt voortgebouwd.
1. Leg de nieuwe doelen naast het huidige curriculum
Bekijk niet alleen methodes, maar ook projecten, practica, excursies, techniekactiviteiten en andere onderdelen van het onderwijs.
2. Kijk naar kennis én werkwijzen
Breng in kaart welke natuurwetenschappelijke kennis leerlingen opbouwen én hoe zij leren onderzoeken, meten, experimenteren, ontwerpen en redeneren.
3. Zoek de doorgaande lijn
Kijk niet alleen binnen één groep, leerjaar of vak. Onderzoek hoe kennis en vaardigheden zich gedurende meerdere jaren ontwikkelen.
4. Maak verantwoordelijkheden duidelijk
Dit is vooral in het VO belangrijk. Wanneer natuurkunde, scheikunde, biologie, aardrijkskunde en techniek allemaal onderdelen van mens en natuur verzorgen, moet duidelijk zijn waar ieder kerndoel wordt opgebouwd en wie het totaal bewaakt.
5. Zoek gerichte verbindingen
Verbind leergebieden wanneer dat inhoudelijk iets oplevert. Een onderzoek naar water kan bijvoorbeeld natuurwetenschap combineren met meten, taal en maatschappelijke vraagstukken. Samenhang is daarbij een middel, geen doel op zichzelf.
6. Kijk over de sectorgrens
PO-scholen kunnen bekijken waar hun leerlingen na groep 8 op voortbouwen. VO-scholen kunnen onderzoeken welke basis vanuit het PO mag worden verwacht. Juist daar kan de nieuwe doorlopende lijn winst opleveren.
Meer over de sectorspecifieke gevolgen lees je bij de nieuwe kerndoelen voor het primair onderwijs en de nieuwe kerndoelen voor het voortgezet onderwijs.
Gelden de nieuwe kerndoelen mens en natuur voor PO én VO?
Ja. Er zijn kerndoelen ontwikkeld voor het primair onderwijs en voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De sets zijn op elkaar afgestemd, maar zijn niet identiek.
Hoeveel kerndoelen mens en natuur zijn er?
In het primair onderwijs zijn er vier kerndoelen: 29 tot en met 32. Voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs zijn er vijf: 29 tot en met 33. In het VO hebben scheikundige verschijnselen een afzonderlijk kerndoel.
Zijn er aparte kerndoelen voor vmbo, havo en vwo?
De kerndoelen vormen de gezamenlijke basis voor de onderbouw van het VO. Binnen verschillende doelen zijn aanvullende inhouden opgenomen voor havo en vwo.
Zijn de nieuwe kerndoelen mens en natuur al verplicht?
Nee. Ze zijn definitief ontwikkeld, maar nog niet wettelijk van kracht. De verwachting is dat ze per 1 augustus 2027 in de wet worden opgenomen.
Is mens en natuur een nieuw schoolvak?
Nee. Mens en natuur is een leergebied. In het PO kan de inhoud bijvoorbeeld binnen wereldoriëntatie, natuur- en techniekonderwijs of thema's worden aangeboden. In het VO kan de inhoud terugkomen in onder andere natuurkunde, scheikunde, biologie, aardrijkskunde en techniek. Scholen houden ruimte voor de inrichting van hun onderwijs.
Moeten scholen onderzoekend en ontwerpend leren invoeren?
Nee. Onderzoeken en ontwerpen zijn belangrijke werkwijzen binnen de kerndoelen, maar de kerndoelen schrijven geen specifieke didactische aanpak voor.
Hoort aardrijkskunde bij mens en natuur of mens en maatschappij?
Bij beide leergebieden komt aardrijkskundige inhoud voor. Fysisch-geografische processen zoals landschap, weer en klimaat zijn ondergebracht bij mens en natuur. De manier waarop mensen ruimte gebruiken en maatschappelijke vraagstukken vanuit verschillende perspectieven bekijken, hoort sterker bij mens en maatschappij.
Moeten scholen een nieuwe methode aanschaffen?
Niet automatisch. Het is verstandiger om eerst het bestaande curriculum naast de nieuwe doelen te leggen. Pas daarna wordt duidelijk welke inhoud al voldoende aanwezig is en waar aanpassingen of aanvullende leermiddelen nodig zijn.
Voor de officiële formuleringen en volledige uitwerkingen kun je de kerndoelen mens en natuur bij SLO raadplegen.