Goed bewegingsonderwijs gaat over meer dan leren rennen, springen, gooien of een balspel spelen. Leerlingen leren hun bewegingsmogelijkheden ontwikkelen, samen met anderen bewegen, verantwoordelijkheid nemen en ontdekken welke vormen van bewegen bij hen passen.

Dat brede beeld staat centraal in de nieuwe kerndoelen bewegen en sport. Het gaat om beter leren bewegen, maar ook om veilig en prettig samen bewegen en om leerlingen te helpen een eigen relatie met bewegen en sport te ontwikkelen.

De nieuwe kerndoelen zijn ontwikkeld voor zowel het primair onderwijs als de onderbouw van het voortgezet onderwijs. De inhoudelijke structuur is in beide sectoren hetzelfde. In het PO wordt een brede basis gelegd; in het VO worden beweegvaardigheid, zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en reflectie verder ontwikkeld.

De kerndoelen zijn definitief ontwikkeld, maar nog niet wettelijk van kracht. Naar verwachting worden ze per 1 augustus 2027 opgenomen in wet- en regelgeving. Scholen kunnen er nu al mee aan de slag.

De officiële kerndoelen vind je bij SLO. Op deze pagina leggen we uit wat ze betekenen voor de onderwijspraktijk.

PO en VO

Bewegen en sport kent in PO en onderbouw VO dezelfde drie domeinen. De nummering van de kerndoelen verschilt.

Primair onderwijs Onderbouw VO Domein
Kerndoel 38 Kerndoel 43 Leren bewegen
Kerndoel 39 Kerndoel 44 Samen bewegen
Kerndoel 40 Kerndoel 45 Betrokken bewegen

Leren bewegen
Leerlingen nemen deel aan uiteenlopende beweegactiviteiten, verbeteren hun beweegvaardigheid en leren activiteiten afstemmen op hun eigen mogelijkheden.

Samen bewegen
Leerlingen leren met anderen deelnemen aan beweegactiviteiten en krijgen steeds meer verantwoordelijkheid bij het organiseren en regelen daarvan.

Betrokken bewegen
Leerlingen maken kennis met verschillende beweegcontexten en onderzoeken welke vormen van bewegen, sporten en actief zijn bij hun eigen interesses, mogelijkheden en motieven passen.

Dezelfde drie lijnen lopen dus van PO naar VO door. Het verschil zit vooral in de complexiteit, zelfstandigheid en mate waarin leerlingen hun eigen bewegen leren sturen en erop leren reflecteren.

Leren bewegen

De eerste opdracht van bewegingsonderwijs blijft vanzelfsprekend: leerlingen beter leren bewegen.

Daarvoor maken leerlingen kennis met een breed aanbod aan beweegactiviteiten. Denk bijvoorbeeld aan:

  • balanceren;
  • bewegen op muziek;
  • doelspelen;
  • draaien;
  • hardlopen en intensief bewegen;
  • jongleren;
  • klimmen;
  • springen;
  • stoeien;
  • terugslagspelen;
  • tikspelen;
  • mikken;
  • zwaaien.

Het doel daarvan is niet dat ieder kind in iedere activiteit hetzelfde niveau bereikt. Leerlingen krijgen juist gelegenheid om verschillende manieren van bewegen te ontdekken en hun eigen beweegvaardigheid te verbeteren.

Een beweeguitdaging oplossen
Leerlingen leren zoeken naar oplossingen wanneer iets nog niet lukt. Wanneer een beweging steeds beter lukt, leren ze meer controle ontwikkelen en kunnen ze experimenteren met moeilijkere varianten.

Daarmee gaat bewegingsonderwijs verder dan voordoen en nadoen. Leerlingen leren steeds beter begrijpen wat een beweegactiviteit vraagt en welke aanpassingen hen kunnen helpen om vooruitgang te boeken.

Passend bewegen

Een opvallend onderdeel van de nieuwe kerndoelen is dat leerlingen leren om beweegactiviteiten passend te maken voor hun eigen mogelijkheden.

Niet iedere leerling hoeft dus op exact dezelfde manier dezelfde opdracht uit te voeren.

Leerlingen leren bijvoorbeeld:

  • hun eigen mogelijkheden inschatten;
  • een passende moeilijkheid kiezen;
  • meedenken over de inrichting van een activiteit;
  • ruimte of materiaal aanpassen;
  • regels aanpassen;
  • passende leerhulp gebruiken.

Dat is belangrijk omdat kinderen en jongeren sterk van elkaar verschillen in beweegervaring, motorische ontwikkeling, zelfvertrouwen en interesse.

Een leerling die ergens al zeer vaardig in is, heeft een andere uitdaging nodig dan een leerling die nog onzeker beweegt. Goed bewegingsonderwijs biedt daarom ruimte om binnen dezelfde activiteit op verschillende niveaus deel te nemen.

In het VO wordt van leerlingen steeds meer verwacht dat zij zelf kunnen inschatten welke uitdaging passend is en mede keuzes kunnen maken over de inrichting van de activiteit.

Samen bewegen

Veel beweegactiviteiten doe je samen met anderen. Daarom is sociale ontwikkeling geen toevallig neveneffect van de gymles, maar expliciet onderdeel van de nieuwe kerndoelen.

Leerlingen leren bijvoorbeeld:

  • bijdragen aan een sociaal en fysiek veilige omgeving;
  • samenwerken binnen een groep of team;
  • rekening houden met de mogelijkheden van anderen;
  • omgaan met verschillend gedrag en verschillende opvattingen;
  • regels accepteren;
  • omgaan met winst en verlies;
  • het eigen handelen afstemmen op anderen.

Dat maakt bewegen en sport bij uitstek een omgeving waarin leerlingen sociale situaties daadwerkelijk ervaren.

Een regel afspreken, een conflict oplossen, rekening houden met een minder vaardige medeleerling of accepteren dat een wedstrijd verloren wordt, zijn concrete situaties waarin leerlingen leren samen handelen.

Daarmee ontstaat een duidelijke inhoudelijke verbinding met burgerschap. Binnen burgerschap leren leerlingen over samenleven, waarden en verantwoordelijkheid; binnen bewegen en sport doen zij daar in een heel concrete sociale context ervaring mee op.

Zelf regelen

Samen bewegen betekent ook dat leerlingen steeds meer verantwoordelijkheid krijgen voor het verloop van de activiteit zelf.

Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat leerlingen:

  • materialen klaarzetten en opruimen;
  • een beweegomgeving aanpassen;
  • een medeleerling helpen of beveiligen;
  • coachen;
  • regels uitleggen;
  • afspraken bewaken;
  • een eenvoudige activiteit helpen organiseren.

In het PO begint dat met overzichtelijke taken. Naarmate leerlingen ouder worden, kunnen zij steeds zelfstandiger verantwoordelijkheid krijgen.

In het VO wordt deze lijn verdiept. Leerlingen leren beweegactiviteiten mede arrangeren, anderen begeleiden en afspraken of regels afstemmen op de situatie.

Daarmee ontwikkelen zij niet alleen beweegvaardigheid, maar ook het vermogen om zelfstandig met anderen een bewegingssituatie mogelijk te maken.

Waarom bewegen?

Een van de interessantste vernieuwingen zit in het domein betrokken bewegen.

Het uitgangspunt is dat niet iedereen om dezelfde reden beweegt.

De één houdt van competitie. Een ander beweegt vooral voor ontspanning, sociale contacten, gezondheid, uitdaging, avontuur of simpelweg omdat een bepaalde activiteit plezier geeft.

Leerlingen maken daarom kennis met verschillende:

  • beweegactiviteiten;
  • beweegomgevingen;
  • organisatievormen;
  • doelgroepen;
  • motieven om te bewegen en sporten.

Dat is belangrijk omdat het doel van bewegingsonderwijs uiteindelijk verder reikt dan de lessen op school.

Leerlingen moeten voldoende ervaringen opdoen om te ontdekken welke plaats bewegen in hun eigen leven kan hebben.

Beweegidentiteit

SLO gebruikt hiervoor het begrip beweegidentiteit. Dat gaat over de manier waarop iemand zichzelf als beweger ziet en welke beweegactiviteiten, ervaringen en motieven daarbij passen.

Een leerling kan bijvoorbeeld ontdekken:

  • waar hij of zij plezier aan beleeft;
  • welke activiteiten goed passen bij eigen kwaliteiten;
  • of competitie motiverend werkt;
  • of juist samen bewegen belangrijk is;
  • welke omgeving prettig voelt;
  • welke invloed bewegen heeft op het eigen welbevinden.

In het PO gaat het vooral om breed ervaren en ontdekken.

In het VO wordt meer reflectie gevraagd. Leerlingen vergelijken bijvoorbeeld hun interesses, kwaliteiten en motieven, onderzoeken hoe de omgeving hun ervaring beïnvloedt en leren bewustere keuzes maken uit verschillende vormen van bewegen.

Daarmee krijgt bewegingsonderwijs een andere vraag naast hoe goed kun je bewegen?: welke vormen van bewegen passen bij jou en waarom?

Gezondheid

Bewegen en gezondheid hebben vanzelfsprekend met elkaar te maken, maar de nieuwe kerndoelen gaan daar genuanceerd mee om.

Binnen bewegen en sport ervaren leerlingen activiteiten met verschillende intensiteiten en ontdekken zij wat inspanning en ontspanning met hun lichaam en welbevinden doen.

Ze onderzoeken ook welke relatie er kan bestaan tussen bewegen en zich lichamelijk of mentaal goed voelen.

De meer natuurwetenschappelijke kennis over gezondheid hoort echter vooral bij mens en natuur. Daar leren leerlingen bijvoorbeeld over het lichaam en over de invloed van beweging, slaap, voeding en andere leefstijlfactoren op lichamelijke en mentale gezondheid.

De twee leergebieden vullen elkaar dus aan: bij mens en natuur leren leerlingen over gezondheid; bij bewegen en sport ervaren zij bewegen en onderzoeken zij wat bewegen voor henzelf kan betekenen.

Dat voorkomt ook een te smalle benadering waarin bewegingsonderwijs vooral wordt gezien als middel om leerlingen fitter te maken. Beter leren bewegen en met plezier kunnen deelnemen aan een brede beweegcultuur blijven zelfstandige doelen.

Digitale technologie

Ook digitale technologie kan binnen bewegen en sport een rol spelen.

Denk bijvoorbeeld aan het gebruiken van video om een beweging terug te kijken, apps of sensoren die activiteit registreren of digitale hulpmiddelen waarmee leerlingen hun beweeggedrag kunnen volgen.

Zulke technologie kan helpen bij:

  • reflecteren op een beweging;
  • monitoren van activiteit;
  • geven en ontvangen van feedback;
  • onderzoeken van eigen beweeggedrag.

Daarbij blijft het middel ondergeschikt aan het doel. Een activitytracker of video-opname maakt op zichzelf nog geen beter bewegingsonderwijs.

Wanneer digitale hulpmiddelen worden ingezet, ontstaat bovendien een verbinding met digitale geletterdheid. Leerlingen kunnen dan ook nadenken over bijvoorbeeld data, privacy en verantwoord gebruik van technologie.

PO naar VO

De doorgaande lijn tussen PO en VO is bij bewegen en sport heel duidelijk. De drie domeinen blijven hetzelfde, maar de leerling krijgt steeds meer regie.

In het PO wordt een brede basis gelegd:

  • veel verschillende beweegactiviteiten ervaren;
  • bewegingsmogelijkheden vergroten;
  • veilig en plezierig met anderen bewegen;
  • eenvoudige taken bij activiteiten uitvoeren;
  • ontdekken welke vormen van bewegen aanspreken.

In het VO wordt daarop voortgebouwd:

  • complexere beweeguitdagingen aangaan;
  • eigen mogelijkheden beter inschatten;
  • activiteiten doelgericht aanpassen;
  • meer verantwoordelijkheid nemen voor anderen;
  • beweegactiviteiten helpen organiseren en begeleiden;
  • reflecteren op eigen ontwikkeling en beweegvoorkeuren.

De verschuiving is daarmee niet alleen van makkelijk naar moeilijk bewegen, maar ook van deelnemen naar steeds zelfstandiger deelnemen, regelen en kiezen.

Voor PO-scholen is het waardevol om te weten dat het VO voortbouwt op deze brede beweegbasis. Voor VO-scholen betekent het dat leerlingen in de onderbouw niet opnieuw beginnen: zij nemen al jaren aan verschillende beweegactiviteiten deel en hebben daarin kennis, vaardigheden en voorkeuren ontwikkeld.

Wat betekent dit?

Voor veel scholen zal een groot deel van de inhoud herkenbaar zijn. Bewegingsonderwijs draait al langer om verschillende beweegactiviteiten en samen bewegen.

De nieuwe kerndoelen maken echter duidelijker dat het totale curriculum ook aandacht moet hebben voor regie, betrokkenheid en betekenisgeving.

Voor het primair onderwijs kunnen bijvoorbeeld deze vragen helpen:

  • Krijgen leerlingen een voldoende breed aanbod aan beweegactiviteiten?
  • Kan iedere leerling op een passend niveau deelnemen?
  • Krijgen leerlingen daadwerkelijk gelegenheid om hun beweegvaardigheid te verbeteren?
  • Leren zij samen veilig en prettig bewegen?
  • Krijgen leerlingen verantwoordelijkheid bij het regelen van activiteiten?
  • Maken zij kennis met verschillende redenen en manieren om te bewegen?
  • Krijgen zij ruimte om te ontdekken wat bij hen past?

Voor het voortgezet onderwijs verschuift de aandacht:

  • Hoe bouwen we voort op de brede beweegervaring uit het PO?
  • Krijgen leerlingen voldoende complexe beweeguitdagingen?
  • Leren zij activiteiten aanpassen aan hun eigen mogelijkheden?
  • Krijgen zij verantwoordelijkheid bij organiseren, coachen en regelen?
  • Leren leerlingen reflecteren op hun eigen beweegontwikkeling?
  • Maken zij kennis met de breedte van de beweeg- en sportcultuur buiten school?
  • Helpen we leerlingen ontdekken hoe zij ook na school actief zouden willen blijven?

Voor beide sectoren geldt: een breed aanbod is belangrijker dan alleen dezelfde sporten steeds beter leren uitvoeren.

Aan de slag

1. Leg de drie kerndoelen naast het huidige programma
Bekijk niet alleen welke activiteiten worden aangeboden, maar ook wat leerlingen binnen leren bewegen, samen bewegen en betrokken bewegen ontwikkelen.

2. Controleer de breedte
Kijk of leerlingen met voldoende verschillende beweegthema's, omgevingen en organisatievormen in aanraking komen.

3. Kijk naar verschillen tussen leerlingen
Onderzoek of activiteiten voldoende kunnen worden aangepast zodat leerlingen met verschillende mogelijkheden betekenisvol kunnen deelnemen en vooruitgang kunnen boeken.

4. Maak verantwoordelijkheid zichtbaar
Bouw op van eenvoudige taken naar steeds zelfstandiger helpen organiseren, begeleiden en regelen.

5. Kijk naar betrokken bewegen
Onderzoek of leerlingen niet alleen bewegen, maar ook leren reflecteren op hun ervaringen, interesses en voorkeuren.

6. Leg verbinding met gezondheid
Stem waar zinvol af met mens en natuur, zodat ervaringen met bewegen en kennis over gezondheid elkaar kunnen versterken.

7. Kijk over de sectorgrens
PO-scholen kunnen bekijken waarop het VO verder bouwt. VO-scholen kunnen onderzoeken welke brede beweegbasis leerlingen vanuit het PO kunnen hebben ontwikkeld.

Meer over de sectorspecifieke gevolgen lees je bij de nieuwe kerndoelen primair onderwijs en de nieuwe kerndoelen voortgezet onderwijs.

Veelgestelde vragen

Gelden de nieuwe kerndoelen bewegen en sport voor PO én VO?
Ja. Er zijn nieuwe kerndoelen ontwikkeld voor het primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs. Dezelfde drie domeinen lopen door beide sectoren.

Hoeveel kerndoelen bewegen en sport zijn er?
Er zijn in beide sectoren drie kerndoelen. In het PO zijn dit kerndoelen 38, 39 en 40. In de onderbouw van het VO zijn dit kerndoelen 43, 44 en 45.

Welke drie domeinen zijn er?
De drie domeinen zijn leren bewegen, samen bewegen en betrokken bewegen.

Zijn de nieuwe kerndoelen bewegen en sport al verplicht?
Nee. Ze zijn definitief ontwikkeld, maar nog niet wettelijk van kracht. Naar verwachting worden ze per 1 augustus 2027 opgenomen in wet- en regelgeving.

Gaat bewegen en sport vooral over gezondheid?
Nee. Gezondheid en welbevinden zijn belangrijke thema's, maar het leergebied is breder. Het gaat ook om beweegvaardigheid, samen bewegen, activiteiten leren regelen en een eigen beweegidentiteit ontwikkelen.

Moet iedere leerling dezelfde sporten leren?
De kerndoelen noemen uiteenlopende beweegthema's en vragen om een breed aanbod. Ze schrijven geen identiek sportprogramma voor iedere school voor. Scholen en leraren houden ruimte om passende activiteiten te kiezen.

Wat betekent beweegidentiteit?
Beweegidentiteit gaat over de manier waarop een leerling zichzelf als beweger ziet: welke activiteiten passen bij de eigen interesses en mogelijkheden, welke motieven spelen een rol en welke betekenis heeft bewegen voor de leerling?

Wat is het belangrijkste verschil tussen PO en VO?
De drie domeinen zijn hetzelfde. In het VO neemt de zelfstandigheid toe: leerlingen gaan complexere uitdagingen aan, krijgen meer verantwoordelijkheid bij het regelen van activiteiten en reflecteren uitgebreider op hun eigen ontwikkeling en beweegvoorkeuren.

Wat gebeurt er na de onderbouw van het VO?
Bewegen en sport blijft ook in de bovenbouw onderdeel van het onderwijs. Daarnaast bestaan er verschillende verdiepende programma's en vakken. Ook de examenprogramma's binnen bewegen en sport worden momenteel vernieuwd.

Verder lezen

Voor de officiële formuleringen en volledige uitwerkingen kun je de kerndoelen bij SLO raadplegen.