Erik Groot Koerkamp

16 deelnemers gaven Erik Groot Koerkamp 4,1 sterren

Een varken wordt niet sneller vet als je het elke dag weegt. Toch wegen we onze leerlingen bijzonder vaak. We toetsen om te beoordelen of ze genoeg hebben geleerd en denken daarmee hun groei te meten. Wanneer we kunnen opschuiven van een toetscultuur naar een onderwijscultuur helpen we kinderen beter te leren.

Gemiste kansen
Formative assesment of formatief evalueren raakt de kern van goed onderwijs. In plaats van telkens de voortgang te meten (summative assesment of toetsen) kijk je naar wat nog nodig is om voortgang te bevorderen. In plaats van alle leerlingen langs dezelfde meetlat te leggen en te vergelijken met elkaar (cijfers geven), maak je inzichtelijk hoe de leerling ervoor staat in vergelijking met zichzelf. Hij weet waar hij staat en kan zich af gaan vragen waar hij heen moet en wat daarvoor nog nodig is. Wat zijn de stappen die hij moet zetten om zijn doelen te bereiken? Daarvoor heeft hij docenten nodig die helpen leerdoelen te stellen en hem de juiste feedback geven.

Formatief en summatief evalueren hoeven elkaar niet te bijten. Het zijn twee afzonderlijke vormen van evalueren en soms is het goed om gewoon de meetlat ter hand te nemen. Maar op dit moment doen we dat ergvaak in ons onderwijssysteem en daarmee missen we fantastische mogelijkheden om te leren.

Zelf aan het stuur
Leerlingen die structureel formatief worden geëvalueerd gaan aantoonbaar sneller vooruit. Onderzoeken laten maanden leerwinst zien ten opzichte van leerlingen die alleen summatief worden beoordeeld. Dat komt doordat formatief evalueren de nadruk legt op het leren zelf. In plaats van achterop de bagagedrager van de docent te springen, zitten leerlingen zelf aan het stuur. Ze zijn eigenaar. De docent kauwt niet voor, maar geeft heel duidelijk en precies de richting aan. Binnen de gestelde kaders, krijgt de leerling de kans op onderzoek uit te gaan. In de huidige manier van evalueren passen leerlingen zich aan aan het onderwijs. Bij formatief evalueren past het onderwijs zich aan aan wat de leerling nodig heeft om tot leren te komen.

Professor Dylan Wiliam heeft vijf strategieën geformuleerd die de basis vormen van formatief evalueren. Ze hangen nauw met elkaar samen en laten zien hoe het bijdraagt aan leren.

De strategieën van Wiliam
Door de vijf strategieën van Wiliam in te zetten maak je een verschuiving mogelijk van een toetscultuur naar een leercultuur. In de kern bestaat de aanpak van Wiliam uithet formuleren van heldere succescriteria en de feedback die daarmee samenhangt. 

1.) Formuleer leerintenties en succescriteria. 

“Als je niet weet naar welke haven je vaart, is geen enkele wind gunstig”, heeft Seneca ooit gezegd. Alles begint met het stellen van een doel. Leerdoelen geven richting en daarmee de mogelijkheid om de route uit te stippelen en bij te sturen. Je kunt leerdoelen opdelen in twee onderdelen: de leerintentie en de succescriteria. De leerintentie beschrijft behalve wat je moet leren ook waarom je dat moet leren. Het motiveert leerlingen om ook aan de slag te gaan en eigenaar te worden van hun leerproces. Succescriteria beschrijven vervolgens hoe je weet dat je het leerdoel hebt behaald. Bedenk daarbij ook dat de succescriteria van de een niet per se de succescriteria van de ander hoeven te zijn. Een haalbaar leerdoel vergroot de motivatie.

Met andere woorden: Bespreek met leerlingen wat ze moeten doen, wat ze daaraan hebben, wanneer ze tevreden kunnen zijn en hoe ze daar kunnen komen. 

2.) Verzamel bewijs van de leerresultaten. 

Zoals we het nu gewend zijn verzamel je bewijs met repetities en SO's. In een formatieve cultuur breid je dit uit met activiteiten en discussies die je informatie geven over het leerproces van de leerlingen. Stel vragen die uitdagen om zelf na te denken. 

3.) Geef feedback die het leerproces bevordert. 

Door de leerdoelen vooraf goed te formuleren, heb je handvatten om de juiste feedback te geven. Wanneer je bijvoorbeeld aan een leerling vraagt om de Titanic te tekenen, zou die technisch kunnen volstaan met een horizontale lijn. “Hij is al gezonken”, kan zo’n leerling zeggen. En in principe heeft hij daarmee aan de opdracht voldaan. Pas als je aangeeft dat je een schip wil zien, van de zijkant, in kleur, met details, kun je gerichte feedback geven. De kaders zijn dan helder, de leerling weet wat er van hem wordt verwacht en daarbinnen mag hij zo creatief zijn als in zijn mogelijkheden ligt.

Dylan Wiliam deed ooit een onderzoek waarin hij groepen leerlingen de opdracht gaf om zo veel mogelijk verschillende dingen te verzinnen die je met autobanden kan doen. Eén groep kreeg daarvoor een cijfer, één groep formatieve feedback en één groep allebei. Bij een tweede opdracht presteerden de leerlingen die formatieve feedback kregen veel beter dan de leerlingen die een cijfer hadden gekregen. Ze kwamen tot steeds meer nieuwe ideeën. Het interessante was dat leerlingen die zowel een cijfer als feedback kregen, níet beter gingen presteren. Wanneer leerlingen een cijfer krijgen, zijn ze geneigd alleen daar naar te kijken.

4.) Activeer leerlingen als leerbron voor elkaar. 

Door leerlingen feedback op elkaar te laten geven (aan de hand van de succescriteria) helpen ze elkaar en bovendien zichzelf verder. Ze krijgen meer inzicht in de wegen die ze kunnen gaan om hun doelen te bereiken.

5.) Stimuleer leerlingen eigenaar van hun leerproces te zijn. 

Eigenaarschap groeit als je leerlingen medeverantwoordelijk maakt voor het leren. Hier spelen opnieuw de leerdoelen en succescriteria een belangrijke rol. Een leerdoel, een reden en een route om daar te komen geeft leerlingen verantwoordelijkheid. 

Vragen over wat er wordt geleerd, op welke manier, waar je dat doet, wanneer en met wie, kun je als docent allemaal zelf beantwoorden. Dan ben jij volledig eigenaar. Je kunt ook een deel bij de leerlingen neerleggen. Hoe groter het aandeel medeverantwoordelijkheid van de leerlingen, hoe groter hun motivatie tot leren wordt.

Groei
Formatief evalueren vraagt om een andere manier van kijken naar onderwijs. Daarbij geven leerlingen veel meer zelf vorm aan het leren en verandert de rol van de docent. Die blijft verantwoordelijk voor het onderwijs, maar veel meer als richtingaanwijzer, kaderschepper en begeleider. Als we kinderen écht iets willen leren en vooral willen leren om zelf te denken, hoeven we ze niet vaker te toetsen. We moeten ze het stuur durven geven. Door de vijf strategieën van Dylan Wiliam toe te passen, creëer je een leercultuur. Onder de juiste omstandigheden, met de juiste voeding, toont groei zich vanzelf en meer dan ooit.




Meer weten over dit onderwerp?
Toon alle blogberichten